Een collega lanceert tijdens de teamvergadering een nieuw idee. Het blijft even stil. Dan volgen er wat reacties op het idee. Een collega maakt een grapje. Er wordt gelachen. Een andere collega doet er nog een grapje achteraan. Weer gelach. Je lacht mee. Dan een gevatte opmerking van weer een andere collega. Gelach.
Het voorstel wordt verder besproken, aangenomen en ingepland. De grappenmakers laten niet meer van zich horen.
Je herkent een soortgelijke situatie wel. Waarin je het goed lijkt te hebben met je collega’s, je inhoudelijk praat over wat er gebeuren moet. Je lijkt het met elkaar eens te zijn. Maar je herkent misschien ook wel dat je, na afloop van de vergadering, achter je die twee collega’s nog even de grapjes hoort voortzetten. Of dat je bij de fietsenstalling nog net even opvangt dat je collega een ander toevertrouwt dat ze echt niet van plan is om dat te gaan aanpassen of te gaan doen. En dat ze helemaal klaar is met die grapjes.
Het roept een vaag en onrustige gevoel bij je op.
Waar mensen samen zijn of -werken, hebben we te maken met het groepsbewuste en het groepsonbewuste. Dat wat we allemaal zien en horen én dat wat we niet zien of horen, maar wat we ergens toch wel voelen. Dat laatste noem je de onderstroom. Stel je het voor als een ijsberg die in het water drijft. Dat wat je feitelijk ziet is zichtbaar boven water, dat wat je voelt en niet uitspreekt, is onzichtbaar, onder water.
Wanneer mensen geen veiligheid ervaren om uit te spreken wat ze voelen of denken, ontstaat die onderstroom. Als iets wat steekt of dwarszit, niet gezegd wordt, zal een kleine ontevredenheid steeds groter worden. Elke gelegenheid die de frustratie triggert, zal het doen groeien. Een grapje wordt sarcastisch, er worden smoezen bedacht, er wordt geroddeld, de communicatie verslechtert of stopt, er wordt tegengewerkt, vertraagt, gestaakt en uiteindelijk barst de bom en loopt men weg.
Het is best een beklemmend idee dat dit in elke samenwerkingsvorm min of meer speelt. Als je het tot je door laat dringen, dan kan het je verlammen om überhaupt nog iets voor te stellen, om enthousiast te zijn, om vol energie aan de slag te gaan. Want tja, vroeg of laat….
Toch is dat niet nodig. Want als we de plek onder de waterlijn nu eens niet uit de weg gaan, maar gaan zien als een bron van wijsheid en potentieel, dan kunnen er nieuwe inzichten ontstaan. Het is zelfs zo dat er een ongekende, niet eerder ontdekte schat aan mogelijkheden te vinden is op die plek. Er is scheppingskracht aanwezig.
Hoe moet je dat dan zien? In de theorie van Deep Democracy wordt er van uitgegaan dat alle perspectieven even veel ruimte mogen hebben. Dat we alles zouden mogen noemen, met het idee dat er juist in dat wat we niet durven zeggen, wijsheid schuilt. Wordt een gesprek met alle betrokkenen toch gevoerd en spreken we uit wat we allang voelen, dan zakt als het ware de waterlinie. De ontevreden en bezorgde visjes, vissen en haaien kunnen aan de oppervlakte komen.
Dan blijkt dat je niet de enige bent die zich stoort aan het beleid. Dan hoor je je collega iets zeggen wat je nooit had verwacht, maar wat je toch goed begrijpt. Dan komt er boosheid, frustratie of verdriet naar boven. Dan wegen we af, luisteren we en voelen we. Dan stellen we vragen, die we niet eerder durfden te stellen, omdat we bang waren voor het antwoord. Dan zijn we kwetsbaar. Dan verbinden we ons.
Je kunt je voorstellen dat dat spannende gesprekken zijn. Maar je kunt je ook voorstellen hoe nodig het is om deze gesprekken te voeren. Met alle gevolgen van dien. Soms kwaadschiks, maar meestal goedschiks. Met vaak als opbrengst een glashelder inzicht waar de gezamenlijke zorg ligt.

